De Kamer

Je komt binnen, gooit je jas over de stoel. Er is niemand in de kamer die je kent. Er is Ć¼berhaupt niemand aanwezig. Helaas. Dat had je niet verwacht, niet op gerekend. Wat nu te doen. Wachten vind je ook geen goede optie. Dan maar de tuin in. Ja, dat is beter. He, wie komt daar aan? Ja, het is je kabouter. Je dacht dat je die niet meer zou zien, maar dat heb je fout gedacht.
Je komt er niet zo maar vanaf. Je schudt zijn hand en vraagt hoe het met hem is. Je kabouter vertelt het verhaal van de vos en de haas. Op een mooie lenteavond ging de vos op zoek naar voedsel en kwam op het spoor van een haas. Het spoor liep kriskras door kreupelhout en greppels. Met gezwinde spoed volgde de vos het spoor. Totdat deze doodliep. Opeens hield het op. Waar is nu de haas gebleven?
Hier stopt je kabouter zijn verhaal en hij gaat naar de vijver toe, waarin hij een frisse duik neemt.
Je schudt je hoofd en gaat weer naar binnen. Ondertussen is de kamer volgestroomd met miljoenen mieren. Waar komen deze zo opeens vandaan, vraag je je peinzend af. Je hebt de deur toch niet open laten staan? Je wurmt je door het gedrang en komt bij de deur. Deze is inderdaad gesloten. Ach, had je het toch goed. Je opent de deur en stap door de opening. Je kijkt over je schouder en roept uit: mijn jas mogen jullie houden! Je sluit de deur.